Als er weinig op een schilderij te zien is, moet dat weinige wel iets bijzonders zijn, iets essentieels:  een statement van buitengewone kracht, een beeldende vondst die nog niet eerder is gedaan, een atmosfeer die een vertrouwd genre transcendeert, zoals een stilleven van Morandi.

 

Afgebeeld is een klein fonteintje dat op de grond praktisch tegen een muur staat. Er komt een straaltje water uit. Alles is in een duf soort groen geschilderd. Linksonder staat in een plakletterachtige vorm in zwart het woord WELL. Dat is alles.

 

Op het eerste gezicht is dit wel bijzonder weinig spectaculair. Een onooglijk fonteintje ergens in een soort grijze steeg en een woord dat daar kennelijk iets mee te maken heeft.

 

In een schilderij zijn twee dingen van belang: het 'onderwerp' en de manier waarop de beeldmiddelen gehanteerd zijn, vorm en inhoud dus. Soms zijn deze identiek, soms versterken ze elkaar, soms spreken ze elkaar tegen. Samen vormen ze de betekenis van het werk, ongeacht hun onderlinge verhouding.

 

Het 'onderwerp' is hier een fonteintje. Daarbij kunnen we ons afvragen om wat voor fonteintje het eigenlijk gaat, waarom dat waardig is bevonden om het centrale deel van een schilderij te worden.

Daar valt van alles over te zeggen. Mij doet het fonteintje denken aan andere fonteinen: heel grote barokke fonteinen met veel pracht en praal, veel krullen en tierelantijnen, fonteinen voorzien van allerlei mythologische figuren, de fonteinen van Rome, fonteinen als representatie van de macht op strategische plekken in de openbare ruimte binnen een stedelijke gemeenschap of bij een paleis.

 

Daarbij vergeleken steekt dit fonteintje wel erg mager af, het heeft nog niet het begin van enige allure. Het doet eerder denken aan een urinoir dan aan een representatieve locatie. Hier wordt de macht op de hak genomen, er wordt een contrapunt geformuleerd, een meer eigentijdse formulering, waarin het onaanzienlijke alleen al om reden van zijn eigen onaanzienlijkheid tot heroïek kan worden verheven. Wie het kleine niet eert is het grote niet weerd. De keuze van het onderwerp is een kwestie van democratie, alles is evenwaardig.

 

De schildertrant, de vormgeving, lijkt deze interpretatie te ondersteunen. Alles is in een vaal mosgroen geschilderd, de grond wat donkerder dan de muur om het verschil aan te geven, puur functioneel dus. De manier waarop de beeldmiddelen gehanteerd zijn is dus even 'arm' als de onderwerpskeuze en zo versterken beide elkaar, als ze al niet synoniem zijn. Mutatis mutandis: een schilderij hoeft net zomin 'uit te blinken' in virtuoze vormen en prachtig kleurgebruik als het afgebeelde voorwerp per se spectaculair van aard moet zijn.

 

De schildertrant wordt zo een ode aan het kleine als evenwaardig aan het grote. Dat is mooi.

 

Maar wordt hier ook daadwerkelijk de 'schoonheid van het kleine' gevierd? Ik denk niet dat er sprake is van heroïek. Er is ook nog een woord, een verdwaald beeldelement, een titel op het schilderij, maar ook een visueel deel ervan. Woord is taal, er wordt dus gesproken. Door wie? Door het schilderij, door het schijnbare onderwerp van het schilderij, personages van de hand van de auteur en uiteindelijk door de auteur, de schilder zelf die in het schilderij ook even schrijver is.

 

Het woord is WELL. Aan de ene kant betekent dat 'bron' en zou zonder veel problemen op het fonteintje kunnen slaan, er komt tenslotte water uit. Maar als we er drie puntjes achter denken (WELL...), wat hier gerechtvaardigd lijkt, verandert de betekenis. Het betekent dan zoiets als 'Nou ja' waardoor een heel andere retorische figuur wordt geïntroduceerd: die van de ironie. Het is alsof het fonteintje wel beseft dat het een onaanzienlijk voorwerp in een steegje is en helemaal niet uit op een plaats onder de groten der aarde. Daar hoort het helemaal niet thuis. Als pars pro toto geldt dat voor het hele schilderij dat zich lijkt af te vragen waarover het zich zo druk maakt of waarover wij, de interpreten, zich zo druk maken: er is niks aan de hand.

 

Het woord wijkt qua vormgeving af van de rest van het schilderij, dat met een knipoog 'malerisch' is geschilderd op een haast academisch-expressionistische  manier. Het woord daarentegen ziet eruit als een letter uit de koker van grafische vormgeving, het neemt afstand van de schilderkunstige emotionaliteit en fungeert als 'objectieve' maatstaf, terwijl het tegelijkertijd aan alle kanten medeplichtig is aan het schilderij waar het toch ook weer deel van uitmaakt.

 

Zo kaatsen in dit werk betekenissen heen en weer die in hun combinatie vragen stellen over de betekenis van het schilderij, de schilderkunst in ruime zin. Het illustreert of definieert een situatie van onzekerheid, van gebrek aan maatstaven, waarin verschillende interpretaties geldig of ongeldig kunnen zijn, afhankelijk van het oog waarmee gekeken wordt. Het werk voldoet aan maatstaven van klassiek twintigste-eeuwse schilderkunst, haalt die vervolgens onderuit, refereert aan de traditie maar haalt daar dan de schouders over op, verheft het onaanzienlijke tot 'high art' maar doet dat zelf weer teniet. Het schilderij is zowel 'zichzelf' als zijn eigen ontkenning, enzovoorts.

 

De schilder zal het worst wezen. Nou en, wat dan nog? laat hij het schilderij zeggen. Zo onttrekt het schilderij zich door zijn volgehouden paradoxaliteit in wezen aan interpretatie: het is wat het is, wat we er ook van vinden, en verder haalt het gewoon de schouders op.

 

Uiteraard kan het woord WELL ook 'goed' betekenen en misschien zegt het schilderij dat ook nog: het is 'goed' geschilderd en kan dus een Kema-keur stempel krijgen. Uiteindelijk zegt het relativerend: 'Het is wel best zo.'

Philip Peters over ‘WELL’, 2000, 120 – 90 cm.

Uit: Een anatomische droom, 24 Haagse schilderijen 1947-2000